Tagarchief: sectorfederaties

Vijf sectorfederaties rond de tafel

_CL05577
Lees het gehele artikel

“Liever geen nieuwe maatregelen, dan slechte”

Onze economie beleeft turbulente tijden en er wordt naar de beleidsmakers gekeken om met de nodige maatregelen grote schokken te verzachten. Bij de jaarwisseling hebben de meeste ondernemersorganisaties dan ook hun prioriteitenlijst bekendgemaakt. Hoe kunnen de overheden ondernemers anno 2023 een duw in de rug geven? Business Vlaanderen bracht vijf vertegenwoordigers van sectorfederaties rond de tafel om te discussiëren over hun verzuchtingen en verwachtingen: Bart Buysse (Fevia), Jolyce Demely (Agoria), Erik Magnus (Creamoda), Klaas Soens (Comeos) en Paul Verschueren (Federgon): “Meer dan ooit staan we schouder aan schouder om onze bedrijven te verdedigen.”

“Focussen op de core business en rendabel blijven, daar gaat het dit jaar over”, steekt Bart Buysse van wal. Hij is de topman van Fevia, de federatie van de voedingsindustrie. “Ik zie onze leden volop werk maken van meer efficiëntie: energiebesparing, zuinig omspringen met grondstoffen, duurzamere technieken, bevoorradingsgaranties… Er wordt ook volop geïnvesteerd in digitalisering, automatisering en robotisering. De keerzijde is wel dat de productiekosten op korte termijn sterk stijgen en dat we moeten voorkomen dat die extra uitgaven voor lonen en energie ten koste zouden gaan van investeringen voor de lange termijn, in innovatie en nieuwe oplossingen.”

Jolyce Demely: “We kunnen zeker nog een tandje bijsteken in levenslang leren – en dat geldt zowel voor werkgever als werknemer.”

Bedrijven in ademnood

Rendabiliteit en kostenbesparing zijn eveneens de topprioriteit voor de handel en aanverwante diensten. Klaas Soens van Comeos Vlaanderen: “Onze sector werkt met kleine marges, die hoe langer hoe meer onder druk komen te staan. Supermarkten en handelszaken zijn verplicht om te optimaliseren, te automatiseren en energie-efficiënter te werken. Ze moeten mee in de trend van e-commerce, maar dat vergt bijkomende investeringen. Veel ondernemers in onze sector verwachten dan ook dat 2023 een lastiger jaar zal worden dan 2022.”

Erik Magnus van Creamoda, dat de mode­merken en kledingproducenten vertegenwoordigt, beaamt dat: “Wij zijn een sector van kmo’s, vaak zelfs heel kleine ondernemingen. Die hebben zwaar afgezien tijdens de coronapandemie. De verplichte sluiting van kledingboetieks en de sterke concurrentie met e-commerce blijft nazinderen. Dat de koopkracht onder druk staat en het consumentenvertrouwen historisch laag is, zorgt ervoor dat sommige bedrijven in ademnood geraken. De politiek heeft een grote verantwoordelijkheid om het ondernemerschap te ondersteunen.”

Bart Buysse: “Onze fiscaliteit is al een lasagne, we vragen daarom aan de beleidsmakers om er geen extra lasten meer bovenop te leggen.”

Voor technologische bedrijven ligt de uitdaging complexer. Jolyce Demely, algemeen directeur Agoria Vlaanderen: “De maak­industrie heeft al een hele weg afgelegd om een fabriek van de toekomst te worden. Voor heel wat bedrijven is er niet zoveel extra winst meer te boeken met investeringen in transformatie en efficiëntie. Voor mij ligt de opportuniteit in vergroenen, decarboniseren en de omslag maken naar circulaire economie. De kans is groot dat de volgende crisis er één zal zijn met een tekort aan materialen en grondstoffen. Recycleren en de kringlopen sluiten is dan de oplossing én de ­opportuniteit.”

Vraag arbeidskrachten blijft groot

De leden van Federgon zijn hr-dienstverleners: uitzendkantoren, rekruteerders, opleidingsinstituten, spelers in outplacement en wellbeing, enz. “Hoewel de vraag naar arbeidskrachten groot blijft, merken we toch dat de vraag naar uitzendarbeid daalt, vooral in industriële sectoren”, weet Paul ­Verschueren. “Anderzijds blijft de vraag naar diensten rond werving en selectie of project sourcing wel op peil. We stellen ook vast dat de schaarste op de arbeidsmarkt thema’s als welzijn op het werk en werkbaarheid mee op de agenda heeft geplaatst. Bedrijven zijn daar veel meer mee bezig dan vroeger.”

Alle panelleden krijgen signalen van leden dat ze nog steeds moeite ondervinden om gemotiveerde nieuwe werkkrachten aan te trekken. Bart Buysse: “We tellen gemiddeld meer dan 1.500 niet-ingevulde vacatures per dag in de voedingsbedrijven. Dat tekort aan arbeidskrachten weegt op de productie. Sommige ondernemingen kunnen niet meer op volle toeren draaien omdat er volk te weinig is.” 

Paul Verschueren: “Hoewel de vraag naar arbeidskrachten groot blijft, merken we dat de vraag naar uitzendarbeid in industriële sectoren daalt.”

Ook de handelszaken hebben vorig jaar voor het eerst de krapte op de arbeidsmarkt gevoeld. “Dat is een teken aan de wand”, stelt Klaas Soens. “In een supermarkt of winkel kan je aan de slag zonder diploma en met weinig ervaring. De opleiding wordt op de werkvloer voorzien. Dus: als wij geen mensen meer vinden, dan is er echt een structureel probleem. Maar sinds kort lijkt het rekruteren gelukkig wel weer wat vlotter te gaan.”

“Een uitdaging waar we in de maakindustrie voor staan, is nog meer inzetten op training en opleiding”, vult Jolyce Demely aan. “Als we automatiseren en robotiseren hebben we andere profielen nodig om machines te bedienen of moeten mensen overschakelen naar een andere functie. We kunnen zeker nog een tandje bijsteken in levenslang leren – en dat geldt zowel voor werkgever als werknemer.”

De arbeidsdeal schiet tekort

Federgon juicht bijkomende aandacht voor levenslang leren uiteraard toe. Maar een aantal maatregelen uit de recente arbeidsdeal leidt toch tot argwaan. Paul Verschueren: “De kostprijs van arbeid is ook voor onze leden een grote bekommernis. De combinatie van de automatische loonindexering van 10% met de invoering van een 4-daagse werkweek en de verplichting tot 5 dagen opleiding dreigt een averechts effect te hebben… Onze concurrentiepositie in Europa komt hoe langer hoe meer onder druk.”

“En dan hebben we het nog niet gehad over de afschaffing van het ziektebriefje voor één dag afwezigheid. Of een boete als er te veel mensen langdurig ziek zijn, die retroactief wordt ingevoerd”, gaat Klaas Soens verder. “Dat maakt het voor ondernemers alleen maar lastiger om hun zaak te laten draaien. De arbeidsdeal bevat veel sociale reflexen, maar daar staat weinig of niets tegenover voor de werkgevers.” 

Klaas Soens: “Wij pleiten voor een netto-indexering, zodat medewerkers meer koopkracht krijgen, maar bedrijven ook meer zuurstof.”

Erik Magnus is het daarmee eens: “Nog te vaak vertrekt men vanuit een wantrouwen tegenover de werkgever. Of er worden maatregelen genomen die wereldvreemd zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan die verplichte vijf dagen opleiding. Alsof wij geen inspanningen zouden leveren als het nodig is… Moeten we écht mensen aan de vooravond van hun pensioen nog verplichten bijkomende opleiding te volgen?”

Een stabiel regelgevend kader

Dat brengt ons naadloos bij de verwachtingen die de werkgeversorganisaties hebben voor de politici. “Onze bedrijven zitten volop in een transitie naar meer digitalisering en meer duurzaamheid. Dat omvat technologische innovatie, verandering van processen en change management voor de medewerkers. Zoiets vraagt tijd en geld en dus hebben onze kmo’s nood aan een stabiel kader”, stelt Bart Buysse. “Onze fiscaliteit is al een lasagne, we vragen daarom aan de beleidsmakers om er geen extra lasten meer bovenop te leggen. Liever geen nieuwe maatregelen dan slechte.”

Klaas Soens vult aan: “De loonlasten blijven een grote zorg. In enkele jaren tijd ontsporen de Belgische loonkosten tegenover de buurlanden van 10% naar liefst 16%. De regering voorziet dan wat compensatie met een tijdelijke kwijtschelding van de RSZ-bijdrage en een uitstel van betaling. Maar finaal levert dat slechts een compensatie op van 0,6%. Dat is too little, too late. Intussen verliezen we aan concurrentiekracht ten aanzien van het buitenland. Daarom pleiten wij voor een netto-indexering, zodat medewerkers meer koopkracht krijgen, maar bedrijven ook meer zuurstof.”

Ook Creamoda is voorstander van een ‘stand still’. “De overheid moet meer rechtszekerheid creëren en niet continu nieuwe regels uitvaardigen. Dat is ook zeer nefast voor het imago van België bij hoofdkantoren van multinationals”, aldus Erik Magnus. “Daarnaast is de ambitie om de werkzaamheidsgraad op te krikken tot 80% de juiste. Maar ik zie nog altijd geen doordacht beleid om de werkloosheidsval te bestrijden en niet-werkenden te activeren. Terwijl we dat potentieel absoluut nodig hebben om onze economische groei en toekomstige welvaart te verzekeren.”

Erik Magnus: “Ik zie nog altijd geen doordacht beleid om de werkloosheidsval te bestrijden en niet-werkenden te activeren.”

“Eigenlijk zou iedereen op beroepsactieve leeftijd, die niet werkt, in een systeem van activering moeten zitten”, vult Paul ­Verschueren aan. “Maar dan wel systemen op maat: voor jonge werkzoekenden, voor mensen die langdurig werkloos zijn, voor zij die terugkomen uit arbeidsongeschiktheid, enzovoort. Politici moeten beseffen dat jobs de beste garantie vormen voor de koopkracht van morgen. En het goeie nieuws is dat er heel veel activerende maatregelen mogelijk zijn, die niets hoeven te kosten!” 

Jolyce Demely pleit tot slot voor een doorgedreven beleid voor de industrie: “Onze exportcijfers stijgen, maar we zien tegelijk dat ons marktaandeel internationaal aan het dalen is. En net nu zijn er landen die hun industrie veel meer steunen (denk aan Duitsland, Frankrijk en de VS), wat ons een bijkomend nadeel oplevert. Ik zou graag zien dat de Vlaamse minister-president ook bevoegd wordt voor industrieel beleid. Dat zou een aantal zaken makkelijker kunnen maken en ons ook helpen om specifieke industriële issues op Europees niveau aan te kaarten.”