Jan Toye was jarenlang het boegbeeld van brouwerij Palm, een familiebedrijf dat hij uitbouwde tot een grotere brouwerijgroep met integratie van onder meer Rodenbach, Brouwerij Boon en Brouwerij De Gouden Boom. Het overlijden van zijn zoon Christoph, die worstelde met existentiële vragen en uiteindelijk uit het leven stapte, veranderde zijn kijk op het leven ingrijpend. In De Balans praat hij openhartig over verlies, vaderschap, maatschappelijke verontwaardiging en zijn zoektocht naar een leven in evenwicht.

Jan Toye: Als kind droomde ik ervan ondernemer te worden, liefst in de bouw. Met mijn voeten in de modder staan, op een werf rondlopen en op het einde van de dag kunnen zeggen: “Kijk, dat hebben we gemaakt.” Ik hield van dat idee.
Maar het leven heeft mij een andere richting uitgestuurd. Ik ben uiteindelijk in het familiebedrijf terechtgekomen, de brouwerij. Dat voelde toen bijna als een vanzelfsprekendheid. Mijn nonkel had geen kinderen en zag in mij degene die het werk zou verderzetten.
Achteraf bekeken denk ik soms dat ik heel lang met oogkleppen heb geleefd. Werken, ondernemen, innoveren, streven naar steeds meer, teams aansturen. Dat was de logica waarin ik zat. Vandaag probeer ik vooral mee te bouwen aan mensen, aan verbinding, aan een warmere samenleving. Misschien is die kinderdroom dus toch niet verdwenen, maar gewoon van vorm veranderd.
Mijn moeder heeft mij iets heel waardevols meegegeven: het gevoel dat ik mocht worden wie ik was. Zij geloofde in mijn talenten nog voor ik ze zelf zag. Ze zei altijd: “Doe maar waar je je goed bij voelt.” Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet. Veel ouders projecteren hun verwachtingen op hun kinderen, dat geeft druk. Bij ons thuis voelde ik vrijheid. Als ik ergens enthousiast over was, dan werd dat aangemoedigd. Dat heeft mij een sterk positief zelfbeeld gegeven. Té sterk, zegt mijn vrouw soms (lacht). Het gevoel dat ik mocht bestaan zoals ik was.
Mijn vader gaf mij dan weer een soort moreel kompas mee. Hij zei altijd: “Als je vrij wil zijn in het leven, moet je iedereen recht in de ogen kunnen kijken.” Die zin draag ik nog elke dag mee, en ik heb eraan toegevoegd: ook de fiscus. Vrijheid heeft volgens mij niets te maken met geld, status of macht. Vrijheid is dat je geen schaamte moet meedragen of door niemand kunt gechanteerd worden.

Mijn kinderen hebben mij misschien wel de belangrijkste lessen van mijn leven geleerd. Alleen kwamen die inzichten pijnlijk laat. Ik had lange tijd het gevoel dat ik een estafettestok moest doorgeven. Het familiebedrijf moest verder leven via mijn kinderen. Dat leek voor mij vanzelfsprekend.
Tot mijn zoon Christoph mij op een dag schreef: “Papa, ik ben uw ‘asset’ niet.” Die zin heeft mij diep geraakt, omdat hij gelijk had. Zonder het echt te beseffen, keek ik naar hem als iemand die mijn droom moest verderzetten, terwijl hij gewoon zichzelf wilde zijn. Christoph was een denker, een zoeker. Hij stelde existentiële vragen waar ik vroeger nauwelijks bij stilstond: Wat is de zin van het bestaan? Hij zocht voortdurend naar betekenis, naar een antwoord op de vraag “Moeder, waarom leven wij?”.
Waar ik lang vooral bezig was met ondernemen en vooruitgaan, worstelde hij met fundamentele levensvragen. Op een bepaald moment werd die existentiële leegte voor hem ondraaglijk en is hij uit het leven gestapt. Dat heeft mij verplicht om stil te staan. Om anders naar succes, geluk en mens-zijn te kijken. Ik besefte hoe weinig ruimte wij als samenleving geven aan kwetsbaarheid, twijfel en existentiële pijn. We leren mensen presteren, maar niet omgaan met zinloosheid, angst of verdriet.
Ook mijn zoon Matthias heeft mij veel geleerd. Kort nadat Christoph gestorven was, zei hij: “Nu ligt al die druk op mijn schouders alleen.” Ik besefte plots hoeveel verwachtingen hij had meegedragen zonder dat ik dat echt gezien had. Later besloot hij piloot te worden. Eerst kwam dat hard binnen, maar vandaag begrijp ik het. Hij heeft gekozen voor een leven dat hem energie geeft. Wanneer hij ’s morgens opstaat om te vliegen, doet hij dat met goesting. Dat is misschien de essentie van geluk.
Geluk zit voor mij in verbinding, in kleine menselijke momenten. Een gesprek. Een luisterend oor. Iemand die zich veilig genoeg voelt om iets kwetsbaars te delen. Het is vanuit kwetsbaarheid delen dat Katrien mijn vrouw is geworden, mijn veilige plek, een liefdesband voor het leven. De kracht van kwetsbaarheid delen is zo sterk, een gemiste bron voor mentaal welzijn vooral bij de Vlamingen die notoire ‘binnenvetters’ zijn.
De campagne Warme William, die door Katrien getrokken wordt, werkt dan ook op attitudeverandering bij kinderen en jongeren. Mensen hebben niet altijd oplossingen nodig. Soms hebben ze gewoon iemand nodig die blijft zitten en écht luistert. De mentale welzijnscrisis zou grotendeels opgelost zijn als iedereen een Warme William voor iemand zou zijn.
Ook eenvoud maakt mij gelukkig. Een praatje met de buren. Samen lachen. Het gevoel dat je ergens thuishoort. We onderschatten dat. Vroeger kwamen mensen letterlijk langs de achterdeur binnen. Vandaag leven we steeds meer naast elkaar in plaats van mét elkaar.

Ja. Ik heb spijt dat ik emotioneel te weinig aanwezig ben geweest voor mijn kinderen. Ondernemerschap slorpt je op. Je bent altijd bezig: problemen oplossen, vooruitdenken, verantwoordelijkheid dragen. Pas achteraf besef je hoeveel momenten je gemist hebt. Hoe kinderen soms gewoon nood hebben aan een vader die aanwezig is. Niet als ondernemer, niet als leider, maar gewoon als vader.
Ik heb ook spijt van de verwachtingen die ik op mijn kinderen heb gelegd. Ik dacht dat ik hen kansen gaf, maar eigenlijk zette ik hen vooral onder druk. Dat besef is pijnlijk. Maar tegelijk heeft het mij ook milder gemaakt. Ik probeer vandaag anders naar mensen te kijken, meer vanuit wie ze werkelijk zijn.
Wat mij verontwaardigt, is hoe macht mensen kan ontmenselijken. Zodra systemen belangrijker worden dan mensen, loopt het fout. Ik zie dat in de politiek, in economie, maar zeker ook in het onderwijs. We blijven onderwijs organiseren alsof kinderen te kneden zijn tot standaardproducten die zo efficiënt mogelijk moeten worden afgeleverd aan de arbeidsmarkt. Alles draait rond prestaties, cijfers, kennisoverdracht en controle, terwijl we vergeten dat elk kind een uniek mens is met eigen talenten, gevoeligheden en dromen.
Minder dan 40 procent van de jongeren zijn gemotiveerd op school. Dat zou een maatschappelijk alarmsignaal moeten zijn. Maar in plaats van fundamenteel na te denken over wat jongeren nodig hebben om te groeien, reageren we met nog meer discipline, nog meer druk, nog meer standaardisering. Een school zou een plek moeten zijn waar kinderen floreren, nieuwsgierig mogen zijn, waar ze zichzelf kunnen ontdekken.
Wat mij verontwaardigt, is dat we blijven dweilen met de kraan open. We investeren in hulpverlening nadat jongeren zijn vastgelopen, maar we durven veel minder kijken naar de oorzaken. Niet alleen cognitieve ontwikkeling is belangrijk, maar ook de vraag: voelt een jongere zich gezien? Mag hij zichzelf zijn? Heeft hij het gevoel ergens toe te doen? Zolang we die vragen niet centraal durven zetten, blijven we jongeren verliezen in systemen die eigenlijk zouden moeten helpen om hen te laten groeien.

Ik sta op met het gevoel dat ik nog iets wil bijdragen. Dat ik mee wil helpen bouwen aan een samenleving waarin jongeren meer kansen krijgen om zichzelf te worden. Mijn missie is eigenlijk eenvoudig: condities helpen creëren waarin jongeren kunnen groeien. Zoals een plantje dat alleen maar floreert in een potje met goede grond.
Ik geloof niet dat je mensen kunt dwingen om gelukkig te worden. Maar je kunt wel een klimaat scheppen waarin ze zichzelf ontdekken, kunnen groeien, vallen, opstaan en zo veerkrachtig worden. Dat is waar ik vandaag nog voor leef. Misschien ben ik een rebel van 78 geworden. Maar als ik zie hoeveel jongeren worstelen met zinloosheid en eenzaamheid, dan voel ik dat ik niet mag zwijgen.